• wit·te

witte

  1. verbogen vorm van de stellende trap van wit
     Ik liep op een tapijt van kleine witte en roze bloemen en kon mijn geluk niet op.[1]
     Het imposante gebergte eromheen is onderdeel van de Lefka Ori, oftewel 'de witte bergen' (niet vernoemd naar de sneeuw die er tot in de lente op de top ligt, maar naar de kleur van de stenen).[2]
     Toen ik na twee bellen Griekse witte wijn op onze hotelkamer kwam, lag Gijs al te slapen.[2]

witte

  1. enkelvoud verleden tijd van witten
    • Ik witte. 
    • Jij witte. 
    • Hij, zij, het witte. 
  2. aanvoegende wijs van witten
100 %van de Nederlanders;
97 %van de Vlamingen.[3]
  1. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  2. 1 2
    Ronald Giphart e.a.
    “Een familie en een Griekse god” (2023), The House of Books, ISBN 9789044366471
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be