• veer

[A]deveerv/m

  1. (zoötomie) lichaamsbedekking van een vogel
    • Vogels in de rui verliezen hun veren. 
  2. (techniek) mechanische tong of spiraal waarop door buiging spanning gezet kan worden
    • Het veertje was gebroken en dit bracht het uurwerk tot stilstand. 
2. mechanische tong of spiraal waarop door buiging spanning gezet kan worden

[A] veer

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van veren
    • Ik veer. 
  2. gebiedende wijs van veren
    • Veer! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van veren
    • Veer je? 

[B]hetveero

  1. (scheepvaart) boot of schip toegewijd aan het onderhouden van een regelmatige verbinding over een rivier of een ander water
    • Het veer tussen Perkpolder en Kruiningen is uit de vaart genomen. 
  2. (bedrijf) dienstverlening die mensen en hun vervoermiddelen naar de overkant van een rivier of ander water brengt
  3. (aardrijkskunde) plaats waar men over een rivier of andere watervlakte kan worden overgezet
    • Toen de brug vernield was, moest men zich met een veer behelpen 
    • Hij toog over het veer van de Jabbok (Gen. 32 : 22) 
1. boot of schip toegewijd aan het onderhouden van een regelmatige verbinding over een rivier of een ander water
1. boot of schip toegewijd aan het onderhouden van een regelmatige verbinding over een rivier of een ander water
99 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[7]

veer

  1. vier; het getal tussen de drie en de vijf, in Arabische cijfers 4, in Romeinse cijfers IV
  • veer
  • Afgeleid van het Nederlandse veer
  1. (zoötomie) veer; lichaamsbedekking van een vogel
  2. veer; mechaniche tong of spiraal waarop door buiging spanning gezet kan worden
  3. (scheepvaart) veer; boot of schip toegewijd aan het onderhouden van een regelmatige verbinding over een rivier of een ander water

veer

  1. koerswijziging

veer

  1. onovergankelijk van koers/richting veranderen
  2. onovergankelijk, (scheepvaart) halzen [3]
  3. overgankelijk van koers/richting doen veranderen
  • IPA: /veːɐ/ (Etsbergs)

veer

  1. vier

veer v

  1. vier

veer

  1. wij, we
    «Veer motte gaon.»
    Wij moeten gaan.

veer

  1. vier; het getal tussen de drie en de vijf, in Arabische cijfers 4, in Romeinse cijfers IV

veer

  1. vier; het getal tussen de drie en de vijf, in Arabische cijfers 4, in Romeinse cijfers IV

veer

  1. (Münsterlands), (Zuidwestfaals) vier; het getal tussen de drie en de vijf, in Arabische cijfers 4, in Romeinse cijfers IV