- loof
- In de betekenis van ‘gebladerte’ voor het eerst aangetroffen in 1287 [1] [2]
- Middelnederlands: loof, loef (1240)
- Oudnederlands: louf (10e eeuw)
- Germaans: *lauba-[4] m/o
- Indo-Europees: *l(o)ubʰ-o-
- Verwant in Germaans:
het loof o
- gebladerte
- (biologie) weefsel van lagere cryptogamen, waarbij zich geen verdeling in wortel, stengel en blad voordoet
1.
loof
- Het woord loof staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "loof" herkend door:
| 97 % | van de Nederlanders; |
| 94 % | van de Vlamingen.[5] |
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- ↑ "loof" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑ loof op website: Etymologiebank.nl
- ↑ loof op website: Etymologiebank.nl
- ↑ Kroonen, Guus, Etymological Dictionary of Proto-Germanic, Leiden: Brill, 2013; blz. 328
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be