- kno·pen
knopen
- overgankelijk een vastzittende lus in een koord, draad of touw maken
- Hij was het net aan het knopen.
- Knoop dat in je oren!
Vergeet dat nooit meer!
- ∗ Ik wil dat jullie dat goed in je oren knopen ' Hij keek de klas rond, toen tilde hij het kleine lichaam uit de potlodendoos.[2]
- De eindjes (stukjes touw) aan elkaar knopen.
Van armoede zich moeten behelpen.
de knopen mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord knoop
- ▸ In vroeger tijden was een valreep een touw met knopen waarmee men op het allerlaatste moment aan boord van een afvarend schip kon klimmen.[3]
- ▸ Naast mijn sierlijke vriendin voelde ik me een olifant toen ze de knopen aan de achterkant van mijn jurk vastmaakte.[4]
- ▸ Dawson die er indrukwekkend uitzag in zijn zwarte livrei met gouden knopen en tressen, kondigde de eerste bezoekers aan.[5]
- Het woord knopen staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "knopen" herkend door:
| 99 % | van de Nederlanders; |
| 99 % | van de Vlamingen.[6] |
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- ↑ knopen op website: Etymologiebank.nl
- ↑ Manik Sarkar“Ossenkop” (2024), Hollands Diep, ISBN 9789048862696
- ↑ Ronald Giphart e.a.“Een familie en een Griekse god” (2023), The House of Books, ISBN 9789044366471
- ↑ Lucinda Riley“De vlinderkamer” (2020), Xander Uitgevers, ISBN 9789401612074
- ↑ Victoria Holt“De bruid van Pendorric” (1973), SAGA Egmont, ISBN 9788726955583
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be