• kno·pen

knopen

  1. overgankelijk een vastzittende lus in een koord, draad of touw maken
    • Hij was het net aan het knopen. 
  • Knoop dat in je oren!
Vergeet dat nooit meer!
∗ Ik wil dat jullie dat goed in je oren knopen ' Hij keek de klas rond, toen tilde hij het kleine lichaam uit de potlodendoos.[2]
  • De eindjes (stukjes touw) aan elkaar knopen.
Van armoede zich moeten behelpen.

de knopen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord knoop
    ▸ In vroeger tijden was een valreep een touw met knopen waarmee men op het allerlaatste moment aan boord van een afvarend schip kon klimmen.[3]
    ▸ Naast mijn sierlijke vriendin voelde ik me een olifant toen ze de knopen aan de achterkant van mijn jurk vastmaakte.[4]
    ▸ Dawson die er indrukwekkend uitzag in zijn zwarte livrei met gouden knopen en tressen, kondigde de eerste bezoekers aan.[5]
99 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[6]
  1. ↑ knopen op website: Etymologiebank.nl
  2. ↑
    Manik Sarkar
    “Ossenkop” (2024), Hollands Diep, ISBN 9789048862696
  3. ↑
    Ronald Giphart e.a.
    “Een familie en een Griekse god” (2023), The House of Books, ISBN 9789044366471
  4. ↑
    Lucinda Riley
    “De vlinderkamer” (2020), Xander Uitgevers, ISBN 9789401612074
  5. ↑
    Victoria Holt
    “De bruid van Pendorric” (1973), SAGA Egmont, ISBN 9788726955583
  6. ↑ Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be